Bommen en schedels in Niš

jbnis03.jpg

Ingemetselde schedels van gesneuvelde Servische strijders in de Schedeltoren (Cele Kula) Foto: Joyce van Belkom

Het Servische Niš is de geboortestad van Constantijn de Grote, heeft een Ottomaans fort, een concentratiekamp, een schedeltoren en een ‘communistisch’ kuuroord. Maar toeristen zie je er amper.

door Dieter van den Bergh

(Niš, oktober 2007) Nazomer in Niš. De stad zucht onder de zoveelste hittegolf van dit jaar. De warmte maakt de stank van uitlaatgassen en industrie nog penetranter. Het zuidelijke Niš ligt aan de Nišava-rivier op het kruispunt Belgrado-Sofia-Skopje. Met zo’n kwart miljoen inwoners is het de tweede stad van Servië en met haar oriëntaalse atmosfeer, zware industrie en hectische verkeer een typische Balkanstad. Niš is dan misschien een stinkstad, wel een boeiende stinkstad.

nis01.jpg

Inwoners van Nis lopen langs een van de twee toegangspoorten van het Ottomaanse fort in het centrum van de stad. Foto: Joyce van Belkom

In 1999, tijdens de Kosovo-oorlog, heeft de stad het zwaar te verduren gehad. De NAVO gooide zo’n 265.000 bommen op Kosovo en Servië om het bewind van Slobodan Miloševic verder onder druk te zetten. Niš, ironisch genoeg de stad van waaruit het verzet tegen Miloševic begon, werd het zwaarst getroffen. Naast militaire doelen werd abusievelijk ook de markt, een woonwijk en een ziekenhuis geraakt, met minstens zestien burgerslachtoffers en tientallen gewonden als gevolg. De stad draagt er nog de littekens van. Ook liggen er nog onontplofte bommen, die pas recent door de NAVO in kaart zijn gebracht. Op het pleintje voor de markt, weer dagelijks in bedrijf, werd een kapelletje opgericht voor de slachtoffers. Een steenworp verder bevindt zich Hostel Niš. De muren van het gebouw zitten vol kleine bominslagen. „Als ik dit op straat vertel, word ik misschien wel gelyncht”, fluistert een medewerker van het hostel, „maar die bommen, die zijn eigenlijk heel goed geweest. Eindelijk veranderde er iets in Servië”. Hoewel de levensstandaard er een van de laagste van Europa is, krabbelt het land heel langzaam op van de nasleep van de Balkanoorlogen en het internationale isolement. ‘Kosovo’ is nog een heikel punt. Maar de weg vanuit het Westen ligt weer open. Toeristen durven weer beetje bij beetje te komen, vertelt hostelbaas Vladimir Dordevic. Hij moet het nu nog vooral hebben van studenten van de nabijgelegen universiteit, met maar liefst 30.000 studenten, of van avontuurlijke backpackers, op doorreis naar Athene en Istanbul, of richting het westen, naar Boedapest en Wenen.

jbnis02.jpg

Uitzicht vanuit een wachttoren op het concentratiekamp Crveni Krst. Foto: Joyce van Belkom

‘Ik word misschien wel gelyncht, maar die bommen, die zijn eigenlijk heel goed geweest’

Ook de stad zelf heeft ingezet op meer toeristen, en probeert zich te verkopen als ‘Kleurrijke Keizerstad’. Toeristische potentie is er zeker. Niet alleen het klimaat is er aangenaam, het karakteristieke Niš (Naissus, ‘stad van de nimfen’ in het Romeinse Rijk) heeft, behalve waarschijnlijk het grootste ondergrondse winkelcentrum van het land, een rijk historisch erfgoed. Het is één van de oudste Balkansteden, met een aantal opvallende bezienswaardigheden. Zoals de geboortegrond van de stichter van Constantinopel, de Romeinse keizer Constantijn de Grote, aan de rand van de stad op de uitgestrekte archeologische vindplaats Mediana. Er zijn ruïnes van zijn oude villa, overkoepeld door een museum, restanten van badhuizen en eeuwenoude mozaïeken en fresco’s. Enkele kilometers oostwaarts ligt tegen de groene heuvels het opgeruimde resort Niška Banja, waar je in warm, radioactief bergwater ouderwets kunt kuren in communistische sferen (zie kader). Ook ideaal om de hectiek van de stad te ontvluchten zijn de vaak fraaie kloosters en kerkjes in de heuvels (zoals de 11e-eeuwse Latijnse kerk bij Gornji Matejevac) of de indrukwekkende zeventien kilometer lange Sicevo-canyon door het Suva Planina-gebergte (1.800 meter), op weg naar Bulgarije. De trein naar Sofia doorkruist de kloof.

jbnis06.jpg

Visser aan de Nisava. Op de achtergrond het Ottomaanse fort in het centrum van de stad. Foto: Joyce van Belkom

Midden in de stad staat een goed geconserveerd concentratiekamp uit de Tweede Wereldoorlog, Crveni Krst. Het desolate kamp ligt midden in de stad, pal achter het busstation en grenzend aan het zigeunergetto. Er zaten zo’n 30.000 partizanen, communisten, Roma en Joden gevangen. Op de Bubanj-heuvel buiten de stad (tegenwoordig een groots monument) werden twaalfduizend gevangenen gefusilleerd. Aan de oude weg naar Istanbul staat een andere lugubere bezienswaardigheid: de curieuze Schedeltoren, Cele Kula. De toren, licht beschadigd tijdens de bombardementen van 1999, werd door de Turken opgebouwd uit bijna duizend schedels van Serviërs, gesneuveld in een veldslag in 1809. Veel hoofden zijn verdwenen, maar er zijn er nog genoeg over om koude rillingen van te krijgen. De toren wordt door een suppoost apart geopend voor iedere bezoeker, die een minuut of tien mag rondneuzen. Dit beladen symbool van Servisch martelaarsschap werd internationaal bekend nadat de beroemde Franse dichter Alphonse de Lamartine er over berichtte in zijn boek Voyage en Orient (1835). „Laat de Serven dit monument behouden! Laat hun kinderen zien hoe hoog de tol was die hun vaders betaalden om een onafhankelijk volk te worden.”

Aan diezelfde Servische strijd tegen de Turken herinnert een torenmonument op de nabijgelegen Cegar-heuvel. De Turken bouwden in Niš rond 1720 ook een vesting, aan de oevers van de rivier. Het fort, een van de oudste op de Balkan, is nog steeds de trots van de stad. Het vijfentwintig hectare grote terrein bevat naast veel groen en Romeinse vondsten, een oude moskee en een 14e-eeuws badhuis dat nu een restaurant is, nog steeds verdeeld in een mannen- en vrouwenvleugel. Maar wie een vrolijk tochtje met het toeristische treintje door het park maakt, kan ook niet om andere overblijfselen heen: een paar afgebrande gebouwen, stille getuigen van een recenter verleden.

jbnis07.jpg

Man neemt een voetbad in het warme bronwater in het kuuroord Niska Banja. Foto: Joyce van Belkom

COMMUNISTISCH KUREN IN NIŠKA BANJA

In Niška Banja, ‘de spa van Niš’, is van de vervuiling in Servië weinig te merken. Met haar straatvegers en recordaantal vuilnisbakken is het dorp waarschijnlijk de meest opgeruimde plek van het land. En met haar rustieke pleinen, fonteinen, promenades en groene parken ook een van de meest idyllische. De politie surveilleert non-stop in het kuuroord op acht kilometer van Niš, niet in de laatste plaats om de zigeuners in de gaten te houden die op de bron afkomen, en op de toeristen.

Niška Banja, fraai gelegen aan de voet van de Suva Planina-bergen, stamt uit de Romeinse tijd. De restanten van een antiek badhuis zijn de oudste getuigen. Het resort is bekend om haar warme bronwater, 36 tot 38 graden, dat – zo beweert men – een helende werking heeft op vooral mensen met hart- of vaatziekten en reumapatiënten. Veel bezoekers baden met hun voeten in het water, dat in kanaaltjes stomend door het park meandert en ook gebruikt wordt in de thermen, modder- en zwembaden. Het water bevat een concentratie radon, een radioactief edelgas, dat geneeskrachtig zou zijn.

Hoewel opgeruimd, is ook het predikaat ‘rundown’ van toepassing op Niška Banja. De stijlvolle oude villa’s, de orthodoxe kerk en de antieke badhuizen die op instorten staan, herinneren aan mondaine tijden. Maar de (vooral Servische) toeristen blijven komen, op zoek naar genezing.

Op een bevolking van 4.000 zijn er 3.500 bezoekersbedden, bij particulieren thuis of in comfortabele staatshotels als Partizan en Radon. De bedden zijn het hele jaar door goed bezet. Maar de allure van weleer is verdwenen, zegt een bejaarde bewoonster van het dorp, die voor zes euro een kamer aanbiedt. „Je had hier 20 jaar geleden moeten komen. De partijbonzen, de filmsterren, de sporthelden, ze kwamen hier allemaal op bezoek.”

Wie aanschuift in een van de communistische gaarkeukens of – na de nodige formaliteiten – een duik mag nemen in het zwembad onder Hotel Radon, wordt vanzelf twintig jaar terug in de tijd geworpen. Alleen een levensgroot portret van generaal Ratko Mladic op het kantoor van het lokale treinstationnetje verraadt bij het afscheid andere tijden. Net als de sigarettensmokkelaars die op het met smokkelwaar volgestouwde boemeltje richting Sofia stappen. Nog maar kort geleden ging de illegale handelswaar juist de andere kant op.

(gepubliceerd in NRC Handelsblad, januari 2008)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s